REGELGEVING DOMINEERT - gekruid VEDIS Franchisedebat

VEDIS Franchisedebat - dinsdag 16 september 2014

Een flink aantal franchisegevers en –nemers en brancheorganisaties die hen vertegenwoordigen nam op dinsdag 16 september jl. in Rotterdam deel aan het VEDIS Franchisedebat. Het thema was ‘Beter strijden met elkaar dan tegen elkaar’. Om de kans op een levendig debat zo groot mogelijk te maken, was gekozen voor een levendig programma. Met een expert panel, drie pittige stellingen en twee deskundige ‘aanjagers’ die voor olie op het vuur zorgden.

De experts zorgden voor de opwarming. Daarbij ging het meteen over regels. Het zou de rode draad door het debat worden: franchise is in Nederland vruchtbaar, maar strakkere regelgeving valt te overwegen. Monique Vreeburg, partner bij Van Benthem & Keulen advocaten en notariaat, ging in op de rechtspositie van de franchisenemer. “Verbetering daarvan leidt tot betere resultaten, hoor ik overal. Vanuit juridische perspectief zie ik dit niet direct. De algemene beginselen van het contractrecht bieden de franchisenemer afdoende bescherming. Moet de populariteit van franchise tot wetgeving leiden? Ik twijfel. Rechtsongelijkheid kan een reden zijn voor wettelijke bescherming, maar er zijn geen verplichtingen om overeenkomsten te sluiten. Misschien brengt dit debat mij op andere gedachten…”

Haar collega-expert Harry Bijl, manager Retail & innovatie bij INretail, waagde met zijn korte inleiding een eerste poging daartoe. “De retail zit momenteel in een achtbaan en ondertussen worstelt de franchiseorganisatie met een imagoprobleem. Het is voor franchisers heel lastig om in te spelen op lokale behoeftes. Daar ontstaat een spagaat. Ik ben erg voor wetgeving die nieuwe samenwerkingsmodellen mogelijk maakt. Er wordt immers op vrijwillige basis al veel meer samengewerkt dan in contracten is vastgelegd. Dat brengt risico’s met zich mee. Franchisenemers zouden niet als enige met de pijn moeten blijven zitten als er slecht wordt gepresteerd.”

Na deze warming up volgde het debat waarbij de hele zaal stelling kon nemen. Er volgden drie uitspraken waar alle aanwezigen het mee eens of oneens konden zijn. Gespreksleider Joost Hoebink, van het Nederlands Debat Instituut, wilde van de bezoekers onderbouwing van hun keuze.

Met de eerste stelling - Eenzijdige focus op het eigen belang verziekt de franchiserelatie – was het overgrote deel van de zaal het eens. Twee aanjagers kozen steeds als eersten en trachtten met hun argumenten mensen achter zich te krijgen. Voorstander Theodoor Ludwig van Belangenvereniging Franchisenemers (BVFN): “Zoals bij elke relatie: je kunt niet zonder elkaar. Beide partijen kunnen primair focussen op zichzelf, maar mogen het collectieve belang nooit uit het oog verliezen.”

Jos Burgers, directeur van Franchise van de Nederlandse Franchise Vereniging (NFV), zag het anders. “Een franchisegever heeft het concept bedacht en laat dat exploiteren door franchisenemers. Ze zitten er eenvoudig verschillend in en mogen best primair voor hun eigen belang opkomen. Maar of dat de relatie verziekt…?”



De reacties uit de zaal waren vooral een pleidooi voor samenwerking:

 “Als de organisatie transparant is, het contract deugt en je bent integer, kan zowel de franchisegever als de franchisenemer voor het eigen belang gaan. De andere partij heeft daar ook voordeel van.”

“Transparantie, billijkheid en redelijkheid zijn de trefwoorden. Bij die woorden past geen eenzijdige focus op het eigen belang.”

“Spelregels zijn nodig, want er is een onbalans in de krachtsverhouding. Dit drukt ondernemerschap de kop in. We hebben de hulp nodig van de wetgever om het evenwicht terug te vinden.”

Na het noemen van de tweede stelling - Franchisegevers maken misbruik van verschil in macht – bleek de zaal in balans. Ludwig: “Mensen die goed zijn ingevoerd, kunnen vaststellen dat er nog steeds misbruik van macht wordt gemaakt. Maar niet door alle franchisegevers. Er zijn ook franchisenemers die het doen. Dus: ja, maar zeker niet allemaal.”

Burgers vond dat de stelling teveel opzet en fraude veronderstelt. “Daar is echter nog weinig van gebleken. Voorbeelden zijn schaars. Juridisch gezien zijn er over en weer rechten en plichten. Maar wat lees ik: franchisegevers voeren eenzijdig een fee-verhoging door. Dat verbaast me zeer. Zijn er franchisenemers die dit accepteren? Ik geloof dat gewoon niet. Met een kort geding is zoiets heel eenvoudig te keren. De stelling is dus erg overdreven.”

Opnieuw verschoof het debat naar regelgeving. Het Belgische model, waarbij de franchisenemer een spijtoptantenregeling heeft, werd als optie genoemd. “Ik vind dit sympathiek,” klonk het. “Er is nu eenmaal een verschil in kennis. Gedeeltelijke regulering is op z’n plaats.”

“Sinds 2008 hebben we te maken met economische tegenwind”, meldde een andere deelnemer. “Dat trekt z’n sporen bij franchiseketens: de ontwikkeling van e-commerce leidt tot spanning. Daarnaast wil een franchisenemer exclusiviteit in een bepaald gebied. Gaat een franchisegever zich daar ook begeven, dan levert dat grote spanningen op.  En dan wordt er ook nog eens te veel door franchisegevers over de ondernemers beslist. Iedereen kent toch dat doemscenario: wakker worden en horen dat je een andere kleur jas moet aantrekken.”  

Het debat werd afgesloten met een laatste stelling: Franchisenemers zijn geen ondernemersDe aanjagers waren dit keer niet nodig. Voor- en tegenstanders vroegen beurtelings om de microfoon. Een greep uit de verdeelde reacties:

“Franchisenemers zijn keiharde werkers. Maak wel een onderscheid tussen hard en soft franchise. In de harde samenwerking ben je in het pak genaaid. In een soft franchise is voor de nemer alle ruimte om te ondernemen.”

“Onderdeel worden van lokale gemeenschap, dát maakt van franchisenemer ondernemers.”

“Onderzoeken tonen aan dat franchisenemers te weinig hun eigen visie volgen. lopen te vaak uit gemakzucht achter het hoofdkantoor aan. Dat is geen ondernemersgedrag.”

“In dertig jaar tijd was er veel schaalvergroting. De franchisenemer is een kleine speler geworden in een groot netwerk. Hij durft de confrontatie niet echt aan te gaan. Dat zet je ondernemerschap onder druk.”

“De franchisenemer is de beste ondernemer. Hij is in staat het midden- en kleinbedrijf overeind te houden in moeilijke tijden. Tenminste, als hij een bewuste keuze maakt voor commerciële samenwerking en bepaalde zaken overlaat aan een franchisegever. Dat levert belangenverschillen op, maar dat is onvermijdelijk.”

“Kan zijn, reageerde aanjager Ludwig aanhakend op de laatste uitspraak, maar de emancipatie van de franchiserelatie ligt toch echt in handen van beide partijen, die zoveel mogelijk inbreng moeten hebben.”

“Daarom moeten dit vaker doen,” besloot Burgers. “Dit soort debatten bieden inzicht in elkaars standpunt. We staan op hoofdlijnen dichterbij elkaar dan we denken.”

Franchise in de Nederlandse detailhandel
-        15% van de Nederlandse winkels is een franchisewinkel
-        De franchisewinkels maken 28% van de totale omzet in de detailhandel
-        Nederland telt 750 franchisegevers, met in totaal 30.000 vestigingen
-        De franchisers zijn goed voor 25% van de werkgelegenheid in de
         detailhandel (70.000)
-        Een derde van alle franchisegevers behoort tot een keten
-        De ketens bezitten in totaal 17.000 winkels
-        De overige 13.000 betreft horeca en de dienstensector
-        Het aantal franchiseketens nam in de afgelopen tien jaar toe met 18%


Erelid Henk Gianotten pleit voor ‘tweede AFM’

De Nederlandse franchisewinkels maken groei door. Zowel de omzet als de werkgelegenheid neemt toe. Henk Gianotten, directeur van Garma BV en bestuurslid VEDIS is tijdens ledenvergadering voorafgaand aan het debat, benoemd tot erelid. 

Henk Gianotten heeft tijdens het debat een toelichting op de groei gegeven.

Franchising is volgens het erelid populair omdat zelfstandige ondernemers die zijn georganiseerd in een franchise het altijd beter doen dan de filiaalchef die een manager boven zich heeft. “De zelfstandige ondernemer is meer bezig met kosten en omzetontwikkeling, de kwaliteit van z’n medewerkers en de relatie met z’n klanten. Hij is bovendien onafhankelijk, terwijl hij toch profiteert van grootschalige inkoop en een merknaam. Bovendien loopt hij minder risico bij start ups en hij heeft minder startkapitaal nodig. Dat zijn de traditionele voordelen. The best of both worlds: hij profiteert van een efficiënte back office en hoeft zich alleen maar bezig te houden met medewerkers en klanten.”

Henk Gianotten liet niet na om wat kanttekeningen te plaatsen. “De franchisenemer heeft ook te maken met de overgang van soft- naar hard franchising. Dat roept vragen op. Kost dit hem zelfstandigheid? Blijft hij onafhankelijk? Hoeveel inkoopvrijheid blijft er over onder die verandering? Is het risico bij een start up inderdaad laag? Zijn de voorgespiegelde vooruitzichten niet te zonnig?  Veel franchisegevers vinden dat zelfstandige ondernemers niet buiten de pot mogen piesen en pleiten voor een zo groot mogelijke inkoopverplichting. Daar is iets voor te zeggen. Mits de samenwerking transparant blijft en de partners over gelijkwaardige informatie beschikken. Als dat niet zo is, zullen franchisenemers altijd verkeerde beslissingen nemen. Hoe je die transparantie bewerkstelligt? Er wordt gepleit voor meer wetgeving. Er is echter al een Europese code. Misschien moet daar wat tussenin: een tweede AFM. Een Autoriteit Franchise Markten, die toeziet op die gewenste transparantie, eerlijkheid en kwaliteit van informatie.”

 

Fotoalbum Overzicht